Het Geluid van Maskers Die Wegvallen
Op de bank bij mijn zus geef ik een van mijn zevenweken oude nichtjes de fles. Haar linkerhandje omklemd mijn pink terwijl ze drinkt met een combinatie van totale overgave en focus waar de Boeddha zelf nog een puntje aan kan zuigen. Twee dagen per week betreed ik dit naar babyhoofd, Zwitsal, stoom en melk ruikende parallelle universum. Een vacuüm waar tijd en ruimte wegvallen in een onmiskenbaar meditatief ritme van huilen, poepen, eten, flesjes afwassen, boeren, slapen, billen afdoen, badjes, wasjes en dan alles weer van voren af aan. Een Zen retreat is niets naast een gezin met pasgeboren tweeling.
Mijn nichtje heeft inmiddels haar grip op mijn pink iets losgelaten en kijkt me daas, maar onverstoord aan. Ik doe het enige van relevantie in het gehele universum: ik kijk terug. Liefde is een te klein woord voor wat ik voel. Het is eerder wat schrijfster Natalie Goldberg een ‘Zen Howl’ noemt; het geluid van maskers die wegvallen. Mijn ‘tante Geer’ masker althans; ik hoor niets wegvallen bij mijn nichtje want die weet nog niets van maskers. Voor een moment zijn we twee mensen die dat moment samen bewonen.
Terwijl mijn nichtje weer wegvalt in het bedwelmende effect van de moedermelk, besef ik me dat het niet onwaarschijnlijk is dat zij of haar zus voor mij zullen zorgen aan het einde van mijn leven. Misschien hang ik al te lang aan het infuus van de dharma, maar een nieuw begin doet me onlosmakelijk denken aan een einde. Terwijl we hier zo zitten, prul en ik, kan ik me niet onttrekken aan het besef dat niet alleen ik sterf, maar dat ook zij -nu nog zo’n belichaming van groei en begin- met elk van haar onregelmatige ademhalingen op weg is naar haar dood. Niet echt een conventioneel gespreksonderwerp alleen tussen de beschuit met muisjes.
Inmiddels hangt mijn nichtje als een uitgetelde dronkaard over mijn rechterschouder. Ik wrijf stevig over haar ruggetje en voel een warme, natte boer achter mijn oor landen. “Everyone we sit with is a dying person” hoor ik de zachte, warme stem van Roshi Joan Halifax zeggen in de auto hierheen. Het luisteren naar haar audioprogramma Being with Dying viel –onopzettelijk trouwens- samen met mijn wekelijkse bezoekjes aan het parallelle universum. Alhoewel ik me besef dat het waarschijnlijker is dat je naar zoiets luistert wanneer je zorgt voor iemand die stervende is of wanneer je zelf aan het sterven bent – in ieder geval niet wanneer je op weg bent naar twee pasgeboren, blakende baby’s- voelt het vreselijk gepast.
We ziìn namelijk allemaal stervende. Dit is niet iets wat pas waar of relevant wordt wanneer we oud of ziek zijn. Niet alleen maakt sterven leven mogelijk; ook schudt een volledig besef van onze naderende dood en die van iedereen om ons heen ons wakker naar de hartverscheurende schoonheid en dierbaarheid van dit Ene Leven. Daar is niets macaber aan, vind ik.
Nummer twee begint te huilen vanuit de box. Ik klem de inmiddels wat bekomen nummer een tussen een roze kussen en mijn zus –haar moeder- die de hand-free strap van het kolfapparaat uitprobeert. Het tafereel onthult hoe het leven kàn zijn als we er maar voor aanwezig zijn: hilarisch, schitterend, scherp, hartverscheurend en levendig.
Dit is mijn eerste column bij Boeddha Magazine. In hetzelfde nummer tref je momenteel een uitgebreid interview met mij aan.


